Wij zijn niet oké

Joodse gemeenschap in Nederland is nog steeds in gruzelementen. Wij zijn nog steeds op zoek naar houvast sinds de sjoa. We zijn nog steeds op zoek naar onze vreugde, onze families, onze plaatsen, onze banden met het verleden en de toekomst. Velen van ons voelen ons eenzaam en geïsoleerd. We vragen ons vaak af bij wie we terecht kunnen, wie naar ons zal luisteren, wie niet onze angsten zal bagatelliseren of eisen dat we ons aanpassen.

Er is een reden waarom zoveel Joden in Nederland banden hebben met Israël. Toen 5000 van ons terugkeerden van de vernietigingskampen en anderen die ondergedoken zaten weer tevoorschijn kwamen, troffen we een maatschappij aan die niet opgelucht was om onze thuiskomst, maar nijdig om onze overleving. Voor veel Joden voelt Israël dan ook als een plek om thuis te zijn of een veilig heenkomen te vinden wanneer de solidariteit hier ontbreekt. Maar hoe kunnen wij dan thuis zijn op de plek waar we wonen?

Wanneer wij vragen om doykeit, hier-heid, een thuis op deze plek, vragen we ook om solidariteit. Deze solidariteit begrijpt en erkent dat de heersende macht vaak de Joodse gemeenschap gebruikt als schild, om woede over onrecht af te wimpelen. Deze solidariteit is steun voor ons recht om een thuis te maken waar wij ons ook mogen bevinden.

De solidariteit waar wij van dromen is ruimte voor onze gemeenschap om te genezen en te gedijen. Deze solidariteit omarmt onvolmaaktheid, vergissingen en verkenning, vallen en opstaan, groeien en groeipijn. Deze solidariteit is gulheid: een uitgestrekte hand die wacht om vastgepakt te worden. Alsjeblieft, wees geduldig met ons. De solidariteit waar wij om vragen is het begrip dat wij als mens en als gemeenschappen kwetsbaar en breekbaar zijn. Wij kunnen niet doorgroeien als een gezonde gemeenschap als wij delen van onszelf moeten afstoten.

inhoudsopgave